Vennoten vof of cv ook hoofdelijk aansprakelijk voor bestaande schulden

De Hoge Raad heeft bij arrest van 13 maart 2015 geoordeeld dat een beherend vennoot ook hoofdelijk aansprakelijk is voor schulden van de commanditaire vennootschap (cv) die zijn ontstaan voordat hij aantrad. Dat is voor het eerst dat de Hoge Raad hier over oordeelt. Tot nu toe werd aangenomen dat een toetredende vennoot niet aansprakelijk was voor bestaande schulden.
(ECLI:NL:HR:2015:588; Stichting Bedrijfstak Pensioenfonds Voor Het Beroepsvervoer Over De Weg; relevante rechtsoverwegingen vindt u onderaan dit document).

De Hoge Raad oordeelde kort gezegd dat de wet bepaalt dat een beherend vennoot van een cv en een stille vennoot van een cv die zich gedraagt als een beherend vennoot hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schulden van de cv. De Hoge Raad bepaalde dat uit de wet niet volgt dat dit alleen het geval is voor schulden van de cv die zijn ontstaan na het aantreden van de vennoot. Een beherend vennoot is dus ook hoofdelijk aansprakelijk voor schulden van de cv die al bestonden voor zijn aantreden.

Indien u overweegt om toe te treden als vennoot van een commanditaire vennootschap (of vennootschap onder firma), dan moet u dus eerst voldoende onderzoek doen naar o.a. de schulden van de vennootschap. Onvoldoende onderzoek kan u veel geld kosten.

Wilt u juridisch advies of begeleiding bij toetreding tot een vof of bij persoonlijke aansprakelijkheid van een vennoot? Neem dan vrijblijvend contact op met advocaat Saskia van de Griek.

Lees meer over dit onderwerp

Ondernemingsrecht diensten van dit advocatenkantoor
Profiel van deze advocaat
Referenties

Relevante rechtsoverwegingen van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2015:588):

“3.4.3

Volgens art. 19 lid 1 WvK zijn de beherende vennoten van een commanditaire vennootschap hoofdelijk verbonden. Art. 18 WvK, dat ingevolge art. 19 lid 2 WvK eveneens van toepassing is op de beherend vennoten van een commanditaire vennootschap, bepaalt voor de vennootschap onder firma dat elk der vennoten hoofdelijk verbonden is “wegens de verbindtenissen der vennootschap”. Daarin valt geen beperking te lezen tot verbintenissen van de vennootschap die zijn ontstaan nadat een vennoot is toegetreden. Voorts brengt de strekking van de art. 18 en 19 lid 1 WvK mee dat de hoofdelijke verbondenheid van de vennoten alle schulden betreft die ten tijde van hun toetreding tot de vennootschap bestaan, of nadien ontstaan. Deze bepalingen beogen immers de schuldeisers van een vennootschap onder firma of een commanditaire vennootschap te beschermen in een situatie waarin het (van dat van de vennoten) afgescheiden vennootschapsvermogen ontoereikend is om aan alle verbintenissen van de vennootschap te voldoen, door hun een verhaalsmogelijkheid te geven op het vermogen van de (beherend) vennoten zelf.

3.4.4Voor zover het gaat om een commanditaire vennootschap strookt deze wetsuitleg met de aansprakelijkheid van stille vennoten die in strijd met art. 20 lid 2 WvK daden van beheer verrichten of werkzaam zijn in de zaken van de vennootschap (het beheersverbod). De aansprakelijkheid van een stille vennoot voor schulden van de commanditaire vennootschap is in beginsel beperkt tot zijn inbreng in de vennootschap (art. 20 leden 2 en 3 WvK). Indien een stille vennoot in strijd met het in art. 20 lid 2 WvK vervatte verbod handelt, wordt hij op grond van art. 21 WvK evenwel hoofdelijk aansprakelijk voor alle schulden en verbintenissen van de vennootschap. Deze hoofdelijke aansprakelijkheid geldt ook voor schulden die zijn ontstaan voordat de vennoot in strijd met het beheersverbod handelde (HR 24 april 1970, ECLI:NL:HR:1970:AC5021, NJ 1970/406).
3.4.5De omstandigheid dat bij deze wetsuitleg de bestaande schuldeisers van de vennootschap er met de toetreding van een nieuwe vennoot een verhaalsmogelijkheid bij krijgen, leidt niet tot een ander oordeel. Daarvoor bestaat een deugdelijke grond, te weten dat deze schuldeisers een rechtsbetrekking zijn aangegaan met een vennootschap voor de verbintenissen waarvan de (beherend) vennoten krachtens de wet persoonlijk instaan. Het aanvaarden van hoofdelijke aansprakelijkheid van (beherend) vennoten van een vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap voor bij hun toetreden reeds bestaande verbintenissen van de vennootschap dient bovendien de rechtszekerheid. Een onderzoek naar het ontstaansmoment van verbintenissen van de vennootschap, met het oog op de vraag welke vennoot of vennoten daarvoor kan of kunnen worden aangesproken, kan dan immers achterwege blijven.
3.4.6Aan de belangen van degene die overweegt als (beherend) vennoot toe te treden tot een bestaande vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap wordt in voldoende mate tegemoet gekomen doordat hij kan bedingen dat hem inzage wordt gegeven in de schuldenpositie van de vennootschap, of dat hij in de gelegenheid wordt gesteld daarnaar zelf onderzoek te doen. Bovendien kan hij garanties bedingen van de overige vennoten en afspraken maken over de draagplicht ten aanzien van bestaande schulden.
3.4.7Bij het voorgaande verdient nog opmerking dat de wettelijke regeling van de maatschap een andere is dan die van de vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap. De vennoten in een maatschap binden immers in beginsel slechts zichzelf; is de gehele maatschap gebonden, dan zijn de vennoten niet hoofdelijk, maar ieder voor een gelijk deel aansprakelijk (art. 7A:1679 en 1681 BW). De in HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7840, NJ 2013/290 voor de maatschap geformuleerde regels zijn dus niet bepalend voor het geval waarin het gaat om een vennootschap onder firma of een commanditaire vennootschap, waarvan de (beherend) vennoten wél hoofdelijk verbonden zijn.”

Share this:
Facebooktwittergoogle_pluslinkedinmail
Follow us:
Facebooktwittergoogle_pluslinkedin