Commanditaire vennoot niet perse aansprakelijk bij beheersdaden

Dit jaar heeft de Hoge Raad al twee uitspraken gedaan die belangrijk zijn voor de vennootschap onder firma (vof) en de commanditaire vennootschap (cv), namelijk:

  • Op 6 februari 2015: dat het faillissement van een vof (en dus ook van een cv) niet automatisch ook het faillissement van de vennoten betekent, en
  • Op 13 maart 2015: dat nieuwe vennoten van een vof (en dus ook van een cv) ook hoofdelijk aansprakelijk zijn voor bestaande schulden van de vof.

Recentelijk heeft de Hoge Raad een derde uitspraak gedaan met grote impact:

  • Op 29 mei 2015: Stille vennoten (commanditaire vennoten) mogen geen beheersdaden verrichten zoals beherend vennoten. Echter, de Hoge Raad bepaalt dat dit niet in ieder geval mag leiden tot de zware sanctie van hoofdelijke aansprakelijkheid van de stille vennoten. Sinds 1943 tot aan dit arrest in 2015 van de Hoge Raad was het algemene standpunt dat iedere beheersdaad van de commandiet tot hoofdelijke aansprakelijkheid leidde.

De Hoge Raad overwoog dat de sanctie van hoofdelijke aansprakelijkheid van de commanditaire vennoot zeer ingrijpend en verstrekkend is. Immers, de commandiet wordt jegens alle crediteuren van de vennootschap volledig aansprakelijk in privé voor alle schulden van de vennootschap. Dit geldt ook voor de schulden die zijn ontstaan voordat de commanditaire vennootschap toetrad tot de vennootschap (HR 24 april 1970, NJ 1970/406; vgl. ook HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:588).

De strekking van het ontstaan van de hoofdelijke aansprakelijkheid bij het overtreden van het beheersverbod is te voorkomen dat commanditaire vennoten die onduidelijkheid laten ontstaan over hun rechtspositie (stille vennoot) in de vennootschap kunnen ontkomen aan hoofdelijke aansprakelijkheid die wel geldt voor gewone vennoten (beherend vennoten).

Daarbij gaat het:

  • Enerzijds om te voorkomen dat een commandiet handelt als beherend vennoot en aldus misbruik maakt van zijn positie zonder aansprakelijkheid als commanditaire vennoot; en
  • Anderzijds om te voorkomen dat derden in de veronderstelling verkeren dat de commandiet waarmee zij handelen met zijn volledige privé vermogen instaat voor de betreffende rechtshandeling (wat niet het geval is bij een commanditaire vennoot maar bij een beherend vennoot).

De Hoge Raad bepaalde dat de vergaande sanctie van toepassing kan zijn indien het om een van voornoemde situaties gaat. De sanctie moet in verhouding staan met de aard en de ernst van de schending door de commandiet van het beheersverbod. Als de sanctie niet wordt gerechtvaardigd door de overtreding moet deze achterwege blijven, zo oordeelde de Hoge Raad.

De rechter kan in voorkomende gevallen dus bepalen dat vanwege bepaalde omstandigheden persoonlijke aansprakelijkheid van de commandiet niet gerechtvaardigd is of dat deze sanctie wordt beperkt tot bepaalde verbintenissen van de vennootschap (niet aansprakelijk voor alle vennootschapsschulden maar voor een deel).

Daarbij moet worden bekeken of aan de commandiet een verwijt kan worden gemaakt (al wordt hij geacht de wet te kennen). Ook is van belang om te bekijken of betrokken derden ervan op de hoogte waren dat de vennoot een commanditaire vennoot was en niet een beherend vennoot.

Rechtsoverwegingen van de Hoge Raad
Zie onderaan dit document de relevante rechtsoverwegingen van de Hoge Raad (bron: Rechtspraak.nl: ECLI:NL:HR:2015:1413).

Conclusie
Het verrichten van beheersdaden blijft dus een riskante aangelegenheid voor commanditaire vennoten. Indien u als stille vennoot al van mening bent dat u een beheersdaad moet verrichten is het van groot belang dat u er zoveel mogelijk voor zorgt dat u niet verwijtbaar handelt en u ervoor zorgt dat alle betrokkenen bij de rechtshandeling ervan op de hoogte zijn dat u niet een beherend maar een stille vennoot bent, dat u specifiek de reden vermeldt waarom u toch handelt namens de vennootschap (bijvoorbeeld een contract tekent), en dat u dit slechts in dit incidentele geval doet.

Mocht u als commanditaire vennoot hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor vennootschapsschulden wegens het (beweerdelijk) verrichten door u van een beheersdaad dan is het dus van cruciaal belang dat goed verweer wordt gevoerd, onderbouwd met voldoende bewijs, dat in uw specifieke geval de sanctie van hoofdelijke aansprakelijkheid te vergaand en ingrijpend is.

Heeft u hier vragen over of wilt u advies of juridische bijstand terzake beheersdaden en (beperking van) hoofdelijke aansprakelijkheid van stille vennoten? Neem dan vrijblijvend contact op met advocaat Saskia van de Griek om uw mogelijkheden te bespreken.

Lees meer over dit onderwerp

Ondernemingsrecht diensten van dit advocatenkantoor
Profiel van deze advocaat
Referenties

 

Relevante rechtsoverwegingen Hoge Raad (bron: Rechtspraak.nl: ECLI:NL:HR:2015:1413):

3.4.1

De art. 20 en 21 WvK luiden als volgt:

“Artikel 20

  1. Behoudens de uitzondering, in het tweede lid van art. 30 voorkomende, mag de naam van den vennoot bij wijze van geldschieting in de firma niet worden gebezigd.
  2. Deze vennoot mag geene daad van beheer verrigten of in de zaken van de vennootschap werkzaam zijn, zelfs niet uit kracht eener volmagt.
  3. Hij draagt niet verder in de schade dan ten beloope der gelden, welke hij in de vennootschap heeft ingebragt of heeft moeten inbrengen, zonder dat hij immer tot teruggave van genotene winsten verpligt zij.

Artikel 21

De vennoot bij wijze van geldschieting, die de bepalingen van het eerste of van het tweede lid van het vorige artikel overtreedt, is wegens alle de schulden en verbindtenissen van de vennootschap hoofdelijk verbonden.”

3.4.2

Art. 21 WvK bevat een sanctie die ertoe strekt te voorkomen dat commanditaire vennoten die op een van de in art. 20 WvK vermelde manieren onduidelijkheid laten ontstaan over hun rechtspositie in de vennootschap, zich kunnen onttrekken aan de aansprakelijkheid die art. 18 WvK voorziet voor de gewone vennoten (HR 11 april 1980, NJ 1981/377). Mede blijkens de in de conclusie van de Procureur-Generaal in 3.5 en 3.6 genoemde geschiedenis van art. 21 WvK gaat het hierbij erom te voorkomen, enerzijds dat een commanditaire vennoot ten name van de vennootschap aan het handelsverkeer deelneemt als ware hij beherend vennoot en aldus misbruik maakt van het rechtsgevolg dat is verbonden aan de hoedanigheid van commanditaire vennoot, en anderzijds dat derden door het optreden van een commanditaire vennoot in de veronderstelling kunnen worden gebracht dat zij van doen hebben met een beherend vennoot, die ingevolge art. 19 lid 2 in verbinding met art. 18 WvK met zijn gehele vermogen instaat voor de nakoming van de verbintenissen van de vennootschap.

3.4.3

Indien een commanditaire vennoot het verbod van art. 20 lid 1 of lid 2 WvK overtreedt, verbindt art. 21 WvK daaraan een ingrijpende en vérgaande sanctie: de commanditaire vennoot wordt jegens alle schuldeisers van de vennootschap ten volle aansprakelijk voor alle verbintenissen van de vennootschap, ook die welke zijn ontstaan voor het tijdstip waarop het verbod werd overtreden (HR 24 april 1970, NJ 1970/406; vgl. ook HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:588).

3.4.4

Deze sanctie is uitsluitend gerechtvaardigd indien en voor zover zij in overeenstemming is met de hiervoor in 3.4.2 vermelde strekking ervan. Zij mag dan ook niet in een onevenredige verhouding staan tot de aard en ernst van de schending door de commanditaire vennoot van de voorschriften van art. 20 leden 1 en 2 WvK en dient achterwege te blijven indien en voor zover zij door het handelen van de commanditaire vennoot niet of niet ten volle wordt gerechtvaardigd.

Dit brengt mee dat de rechter, indien de – in beginsel daartoe door de commanditaire vennoot te stellen en te bewijzen – omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan oordelen dat de sanctie niet gerechtvaardigd is, of – in zoverre in afwijking van de hoofdregel zoals weergegeven in de hiervoor in 3.4.3 genoemde uitspraken – dat het gevolg daarvan dient te worden beperkt tot bepaalde verbintenissen van de commanditaire vennootschap.

3.4.5

Bij de hiervoor in 3.4.4 genoemde beoordeling kan mede van belang zijn of bij derden redelijkerwijs een onjuiste indruk over de hoedanigheid van de commanditaire vennoot heeft kunnen ontstaan. In zoverre komt de Hoge Raad terug van zijn arrest van 15 januari 1943, NJ 1943/201 (Walvius) waarin is beslist dat niet van belang is of een wederpartij van de commanditaire vennootschap van de commanditaire hoedanigheid van de desbetreffende vennoot op de hoogte was of behoorde te zijn.

3.4.6

Naast het hiervoor in 3.4.4 en 3.4.5 overwogene geldt dat, zoals is beslist in HR 11 april 1980, NJ 1981/377, aan degene tegen wie (de sanctie van) art. 21 WvK wordt ingeroepen, in elk geval steeds enig verwijt van zijn handelwijze zal moeten kunnen worden gemaakt. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat een commanditaire vennoot ervan op de hoogte behoort te zijn dat hij geen daden van beheer mag verrichten.

3.4.7

Uit het voorgaande volgt dat bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre plaats is voor de sanctie van art. 21 WvK, mede van belang kan zijn of derden (in dit geval: de verhuurder) van de vennootschappelijke hoedanigheid van de commanditaire vennoot op de hoogte waren of behoorden te zijn, en dat steeds van belang is of de commanditaire vennoot tegen wie de sanctie van die bepaling wordt ingeroepen, ter zake van zijn handelen een verwijt valt te maken. Het middel is dan ook gegrond.”


Share this:
Facebooktwittergoogle_pluslinkedinmail
Follow us:
Facebooktwittergoogle_pluslinkedin