Gewijzigde koers Hoge Raad: faillissement vof niet automatisch faillissement vennoten

Vanaf 1927: persoonlijk faillissement vennoten bij faillissement vof
De Hoge Raad hanteert sinds 1927 het standpunt dat een faillissement van de vennootschap onder firma (vof) automatisch (“noodwendig”) het persoonlijk faillissement van de vennoten betekent. In 2009 heeft de Hoge Raad dit juridisch uitgangspunt nog bevestigd (HR 22 december 2009; ECLI:NL:HR:2009:BK3574).

2009: uitzondering regel bij wettelijke schuldsanering natuurlijke personen (WSNP)
In (de conclusie bij) het arrest van 2009 werd een uitzondering genoemd op persoonlijk faillissement van een vennoot bij faillissement van de vof. Namelijk indien de wettelijke schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) was toegepast op die vennoot.

2015: nieuwe koers Hoge Raad: niet per se persoonlijk faillissement vennoten bij faillissement vof

In het arrest van 6 februari 2015 (Bepro BV; ECLI:NL:HR:2015:251) oordeelde de Hoge Raad dat het faillissement van de vof niet automatisch tot het persoonlijk faillissement van de vennoten leidt. De Hoge Raad noemde daarbij een aantal factoren, waaronder:

 

  • de vof heeft geen rechtspersoonlijkheid maar heeft wel een afgescheiden vermogen
  • als de vof is opgehouden haar schulden te betalen zal in veel gevallen ook het faillissement van de vennoten niet te voorkomen zijn, maar dit hoeft niet; vennoten kunnen ook ander prive vermogen hebben
  • de vorderingen op de vof en die op de vennoten zijn aparte vorderingen; het kan zijn dat een vennoot een verweermiddel kan aanvoeren (die de vof of de andere vennoten niet kunnen aanvoeren)
  • sinds 2008 geldt de wettelijke regeling schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) zodat automatisch persoonlijk faillissement niet of minder logisch is
  • ook door de beginselen van een eerlijk proces (fair trial; art. 6 EVRM) ligt automatisch persoonlijk faillissement niet voor de hand en dient er eerst een onderzoek en oordeel te komen per individuele vennoot

Rechtsoverwegingen van de Hoge Raad
Zie onderaan dit document de relevante rechtsoverwegingen van de Hoge Raad (bron: Rechtspraak.nl: ECLI:NL:HR:2015:251).

Conclusie
Indien een eiser het faillissement van de vof wenst, maar ook van de vennoten, dan zal hij dat afzonderlijk moeten verzoeken. De rechter moet vervolgens separaat ter zake de vof en iedere vennoot beoordelen of voldaan is aan de voorwaarden voor faillissement.

Heeft u hier vragen over of wilt u begeleiding bij het instellen van een faillissementsverzoek of juist bij het verweren daartegen?

Neem contact op met advocaat Saskia van de Griek om uw vrijblijvend uw mogelijkheden te bespreken.

Lees meer over dit onderwerp

Ondernemingsrecht diensten van dit advocatenkantoor
Profiel van deze advocaat
Referenties


Relevante rechtsoverwegingen Hoge Raad:

“3.4.1

Een vof heeft geen rechtspersoonlijkheid. Zij is een bij overeenkomst aangegane rechtsverhouding strekkende tot de uitoefening van een bedrijf

onder gemeenschappelijke naam in een duurzaam samenwerkingsverband. De vof heeft wel een (van de vermogens van de vennoten) afgescheiden vermogen.

Ondanks het ontbreken van rechtspersoonlijkheid wordt de vof in het maatschappelijk verkeer gezien en op diverse plaatsen in de wet (art. 51 Rv, art. 4 lid 3 Fw) behandeld als een afzonderlijk rechtssubject dat zelfstandig aan het rechtsverkeer kan deelnemen, wat strookt met het feit dat de vof een afgescheiden vermogen heeft.

Ingevolge art. 18 WvK is elk der vennoten hoofdelijk verbonden voor de verbintenissen van de vof, wat betekent dat die verbintenissen ook op hen persoonlijk rusten. De schuldeisers van de vof kunnen daarom hun vorderingen op het privévermogen van de vennoten verhalen. Daarnaast kunnen de schuldeisers van de vof zich met voorrang boven de privéschuldeisers van de vennoten op het afgescheiden vermogen van de vof verhalen.

3.4.2

Het voorgaande verklaart mede dat een vof, hoewel zij geen rechtspersoonlijkheid heeft, als zodanig failliet kan worden verklaard. Wat de positie van de vennoten in dat faillissement betreft, bepaalt de Faillissementswet slechts dat de aangifte tot faillietverklaring van een vof ook de naam en de woonplaats van de vennoten moet inhouden (art. 4 lid 3 Fw). Hieruit kan niet worden afgeleid dat een faillissement van de vof steeds en zonder meer het faillissement van de vennoten meebrengt. 

3.4.3 

De omstandigheid dat een vof haar verplichtingen niet voldoet, kan het oordeel wettigen dat zij in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen. Indien zij op die grond failliet verklaard wordt zal, gelet op art. 18 WvK, het faillissement van de vennoten doorgaans onvermijdelijk zijn, maar dat behoeft niet noodzakelijkerwijs het geval te zijn.

Zo kan een vennoot, in tegenstelling tot de vof zelf, voldoende (privé)vermogen hebben om zowel de schuldeisers van de vof als zijn privéschuldeisers te voldoen; ook als hij bepaalde vorderingen niet voldoet, brengt dat nog niet noodzakelijkerwijs mee dat hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. Voorts is van belang dat, in verband met het feit dat de vof een afgescheiden vermogen heeft, de vorderingen op de vof en op de vennoten als afzonderlijke (samenlopende) vorderingen moeten worden beschouwd, die onafhankelijk van elkaar kunnen worden ingesteld en verhaald. In verband daarmee is het mogelijk dat een vennoot een hem persoonlijk toekomend verweermiddel (bijvoorbeeld een tegenvordering) kan aanvoeren tegen de vordering van de aanvrager van het faillissement of van andere schuldeisers (vgl. HR 18 december 1959, ECLI:NL:HR:1959:BG9455, NJ 1960/121 en HR 13 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9261, NJ 2004/212).  

Gelet op dit een en ander is het niet noodzakelijk dat, zoals de hiervoor in 3.3 genoemde rechtspraak inhoudt, het faillissement van de vennoten steeds en zonder meer intreedt als een gevolg van het faillissement van de vof. 

3.4.4 

Ook de invoering per 1 december 1998 van de schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen heeft tot gevolg dat de zojuist bedoelde regel niet langer op zijn plaats is. De toepassing van de schuldsaneringsregeling staat immers open voor natuurlijke personen met zakelijke schulden (vgl. onder meer Kamerstukken II 1992-1993, 22 969, nr. 3, p. 22-24 en 29-30, en nr. 6, p. 27-29). Dat brengt mee dat vennoten (natuurlijke personen) die een wsnp-verzoek hebben ingediend, niet zonder meer failliet verklaard dienen te worden indien het faillissement van de vof wordt uitgesproken. 

3.4.5

Voorts is van belang dat in het arrest HvJEU 15 december 2011, zaak C-191/10, ECLI:EU:C:2011:838, NJ 2012/258 (Rastelli), punten 25-29, besloten ligt dat de rechter ten aanzien van elke schuldenaar afzonderlijk dient te bepalen of hem op grond van art. 3 lid 1 dan wel art. 3 lid 2 Insolventieverordening (Verordening (EG) nr. 1346/2000 betreffende insolventieprocedures) internationale bevoegdheid toekomt om een insolventieprocedure te openen. De regel van de hiervoor in 3.3 genoemde rechtspraak is daarmee niet te verenigen indien de vennootschap in Nederland is gevestigd en de vennoten in een andere lidstaat of andere lidstaten wonen. Ook in zoverre is die regel dus niet (langer) op zijn plaats.

3.4.6

Ten slotte staat het op gespannen voet met de aan art. 6 EVRM ten grondslag liggende beginselen om een vennoot in privé failliet te verklaren, zonder dat dit ook ten aanzien van hem afzonderlijk is verzocht en zonder dat is onderzocht of hij ook in privé verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen.

3.4.7

Op grond van het voorgaande komt de Hoge Raad terug van de hiervoor in 3.3 bedoelde regel dat het faillissement van een vof steeds en noodzakelijkerwijs het faillissement van de vennoten ten gevolge heeft.

3.4.8

Gelet op het hiervoor overwogene dient een schuldeiser, indien hij niet alleen het faillissement van de vof maar ook dat van de vennoten wil bewerkstelligen, dat in zijn verzoekschrift ten aanzien van ieder van hen afzonderlijk te verzoeken, en dient de rechter te onderzoeken of ook ten aanzien van de vennoten afzonderlijk aan de voorwaarden voor faillietverklaring is voldaan. Gelet op art. 18 WvK en de wenselijkheid dat de faillissementen van de vof en van de vennoten zoveel mogelijk tegelijk worden uitgesproken en afgewikkeld, verdient het overigens aanbeveling dat deze verzoeken zoveel mogelijk tezamen worden gedaan en behandeld.

3.4.9

Voor zover in een procedure het faillissement van (alleen) de vof is verzocht en daarbij (overeenkomstig art. 4 lid 3 Fw) de namen en woonplaatsen van de vennoten zijn vermeld, heeft de verzoeker de mogelijkheid – in eerste aanleg – zijn verzoek in die zin aan te vullen dat het mede betrekking heeft op de faillietverklaring van de vennoten. De rechter dient daarbij het beginsel van hoor en wederhoor in acht te nemen en de vennoten de gelegenheid te bieden tot het voeren van afzonderlijk verweer.

3.4.10

Het voorgaande kan meebrengen dat de vof failliet wordt verklaard en (een van) de vennoten niet. In dat verband heeft de rechter de mogelijkheid om niet tegelijkertijd op de onderscheiden faillissementsverzoeken te beslissen, bijvoorbeeld in het geval dat een vennoot in reactie op het faillissementsverzoek een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft gedaan (in welk geval te zijnen aanzien de behandeling van het verzoek tot faillietverklaring ingevolge art. 3a lid 2 Fw wordt geschorst).

3.5

Nu de hiervoor in 3.3 weergegeven klacht gegrond is, behoeven de overige klachten van het middel geen behandeling.”


Share this:
Facebooktwittergoogle_pluslinkedinmail
Follow us:
Facebooktwittergoogle_pluslinkedin